Dressuur
Bij dressuurwedstrijden in Nederland beoordeelt een jury de mate van gymnastisering en beheersing van het paard. Voor wat betreft de basissport (breedtesport) gebeurt dat in vier primaire klassen.
In een dressuurproef van de B tot en met de M2 kunnen maximaal 300 punten behaald worden, in 30 handelingen, deze punten worden onderverdeeld in de zogenaamde 'winstpunten'. Indien er voor de handelingen gemiddeld een 6 wordt gereden heb je 180 punten, dit is één winstpunt. Met tien winstpunten kun je naar de volgende klasse, met 30 winstpunten móet je door. Deze proeven worden gereden in een 20x40 rijbaan. In de Z1 en de Z2 is dit aantal 340 punten, in 34 handelingen. Hier moet je dus 204 punten hebben om een winstpunt te rijden. Deze zware proeven worden officieel gereden in een 20x60 rijbaan, maar waar de accommodatie het niet toelaat kan er ook gereden worden in een 20x40 rijbaan, met speciaal daarvoor aangepaste proeven. In de proeven geeft de jury per handeling een cijfer variërend van 0 tot 10. Een 0 staat voor niet uitgevoerd en een 10 voor uitmuntend, deze wordt echter zelden gegeven, zelfs niet aan topsporters.
De Nederlandse sportfederatie voor de paardensport is de Koninklijke Nederlandse Hippische Sportfederatie, afgekort KNHS. Vrijwel alle wedstrijden worden onder de regels van deze federatie gereden, maar er zijn ook zogenaamde onderlinge wedstrijden, meestal van één of enkele verenigingen of rijscholen. Deze wedstrijden vallen als ze in manegeverband gereden worden onder de Federatie Nederlandse Rijscholen, afgekort FNRS. Er is voor deze wedstrijden een naslagwerk "verantwoord paardrijden", waarin proeven zijn opgenomen van dressuur, caprilli (begin van springen) en western. Let wel, dit zijn slechts aanzetten voor de net genoemde takken van de sport. De dressuurproeven bestaan uit proef A en B en lopen van F1 t/m F20, de caprilli-proeven lopen van C1 t/m C4 en de westernproeven lopen van W1 t/m W10. Bij de jurering wordt meer op de ruiter dan de combinatie gelet (de combinatie bestaat uit een manegepaard en manegeruiter). Er wordt vooral gelet op de correctheid van de hulpen van de ruiter. Het paard hoeft de handelingen niet per se uit te voeren, als de hulpen maar correct gegeven zijn. Je moet aantonen dat je iets meerdere keren probeert. Als je de handeling alsnog goed uitvoert, krijg je evengoed nog een gedeelte van de punten. Het minimale puntenaantal om de proef te halen is 210. Er wordt bij deze onderlinge wedstrijden gereden onder het reglement van het KNHS, omdat dit algemeen aanvaard is.
Hogeschool
Onder Hogeschool of hogeschooldressuur verstaat men paardendressuur met bewegingen als piaffe, passage, capriole en levade. Dit is het hoogste niveau dat in de dressuursport te bereiken is. Er bestaan oefeningen op de grond (pirouette, passage, piaf, terre à terre, Spaanse draf) en oefeningen boven de grond (o.a. ballotade, courbette, croupade, capriole, levade en pesade). Hogeschool wordt onder andere beoefend in de Spaanse rijschool in Wenen.
De scholen 'op de grond' worden ook door dressuurruiters op de hoogste niveaus van de wedstrijdsport gereden (piroutte, piaffe, passage).
Omdat de kunst van het africhten van een paard tot en met deze hogeschool heel oud is, spreekt men wel van 'klassieke rijkunst'. Een wat verwarrende term: ook een ruiter die geen vergevorderde oefeningen rijdt, maar wel te werk gaat volgens 'de klassieke methode' beoefent de klassieke rijkunst.
Hogeschool wordt niet in wedstrijdvorm beoefend. Het hoogst haalbare niveau is Grand Prix (piaffe passage piroutte wissel om de pas e.d.).